ECLI:NL:RBDHA:2015:7289
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onjuiste uitvoering minnelijk traject
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank is bevoegd de insolventieprocedure te openen omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt. Tijdens de zitting is vastgesteld dat het minnelijk traject, een vereiste voor het verzoek, niet door een bevoegde persoon is uitgevoerd.
De verklaring van de wsnp-bewindvoerder, die de stukken medeondertekende, voldeed niet omdat zij het traject niet zelf uitvoerde en geen sturingsmogelijkheden had. De wetgever heeft immers bepaald dat het minnelijk traject alleen door een beperkte kring van bevoegde personen mag worden uitgevoerd, die ook sturingsmogelijkheden moeten hebben. In dit geval was het traject uitgevoerd door medewerkers van een schuldbemiddelingsinstantie die niet tot die kring behoren en werd een wsnp-bewindvoerder ingehuurd die geen gezagsverhouding heeft tot de uitvoerders.
Door deze constructie ontbreekt de garantie voor een juiste uitvoering van het minnelijk traject zoals de wetgever die beoogt. Verzoeker heeft onvoldoende gesteld over de inhoudelijke kwaliteit van het traject. De rechtbank concludeert daarom dat het verzoekschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 285 Faillissementswet Pro en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens merkt de rechtbank op dat de schuldbemiddelingsinstantie niet voldoet aan de vereisten van de Wet op het Consumentenkrediet.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject niet door een bevoegde persoon is uitgevoerd.