ECLI:NL:RBDHA:2015:7289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2015
Publicatiedatum
26 juni 2015
Zaaknummer
C/09/15/435 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000Art. 48 lid 1 onder C Wet op het Consumentenkrediet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onjuiste uitvoering minnelijk traject

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank is bevoegd de insolventieprocedure te openen omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt. Tijdens de zitting is vastgesteld dat het minnelijk traject, een vereiste voor het verzoek, niet door een bevoegde persoon is uitgevoerd.

De verklaring van de wsnp-bewindvoerder, die de stukken medeondertekende, voldeed niet omdat zij het traject niet zelf uitvoerde en geen sturingsmogelijkheden had. De wetgever heeft immers bepaald dat het minnelijk traject alleen door een beperkte kring van bevoegde personen mag worden uitgevoerd, die ook sturingsmogelijkheden moeten hebben. In dit geval was het traject uitgevoerd door medewerkers van een schuldbemiddelingsinstantie die niet tot die kring behoren en werd een wsnp-bewindvoerder ingehuurd die geen gezagsverhouding heeft tot de uitvoerders.

Door deze constructie ontbreekt de garantie voor een juiste uitvoering van het minnelijk traject zoals de wetgever die beoogt. Verzoeker heeft onvoldoende gesteld over de inhoudelijke kwaliteit van het traject. De rechtbank concludeert daarom dat het verzoekschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 285 Faillissementswet Pro en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens merkt de rechtbank op dat de schuldbemiddelingsinstantie niet voldoet aan de vereisten van de Wet op het Consumentenkrediet.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject niet door een bevoegde persoon is uitgevoerd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer
insolventienummer: C/09/15/435 R
uitspraakdatum : 25 juni 2015
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
verzoeker,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
De verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 11 juni 2015.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Die vraag spitst zich toe op de uitvoering van het zogenoemde minnelijk traject.
De relevante stukken, waaronder de verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f. van de Faillissementswet, zijn (mede)ondertekend door [X], die wsnp-bewindvoerder bij de gemeente Utrecht is.
Gebleken is echter dat zij niet zélf het minnelijk traject heeft uitgevoerd. Zij controleert of aan het begin aan de voorwaarden voor het starten van het minnelijk traject is voldaan en controleert, als dat aan de orde komt, of de wsnp-aanvraag aan alle eisen voldoet, zo schrijft zij. Zij werkt op oproepbasis voor GRIP Schuldhulpverlening, op basis van een freelance-overeenkomst.
Bij de beantwoording van de vraag of het minnelijk traject op de juiste wijze is doorlopen weegt in het bijzonder mee dat de wetgever het uitvoeren van het minnelijk traject niet aan een ieder heeft toevertrouwd, maar aan bepaalde groepen personen. In de praktijk besteden die personen het in sommige gevallen uit aan werknemers of aan anderen jegens wie zij een instructiebevoegdheid hebben. Die beperkte kring van personen maakt dat er een zekere garantie is voor de kwaliteit van het uitgevoerde traject. Ook als het traject door anderen wordt gedaan, dan heeft de bevoegde op elk moment in het traject een sturingsmogelijkheid.
In dit geval is het echter omgekeerd. GRIP Schuldhulpverlening, wiens medewerkers –naar de rechtbank begrijpt– zelf niet tot de kring van bevoegde personen behoren, huurt een WSNP-bewindvoerder in. Die bewindvoerder staat niet in eerderbedoelde gezagsverhouding tot degenen die het traject uitvoeren. Ze kan niet op elk door haar nodig geacht moment instrueren, interveniëren of (bij)sturen. Ook is haar bemoeienis of ingrijpen niet op elk moment tijdens het traject mogelijk, maar slechts op de twee aangeduide momenten.
Door haar ondertekening van de stukken verklaart ze dan ook niet dat ze het traject heeft uitgevoerd, maar dat er een traject is uitgevoerd. Dat zij door haar handtekening daarvoor de verantwoordelijkheid lijkt te willen nemen, geeft niet de garantie voor een juiste uitvoering, die de wetgever heeft willen scheppen door de kring van bevoegde personen te beperken.
Dat zij in het geheel geen contact heeft met schuldenaren is daarbij niet doorslaggevend, maar wel een indicatie voor de mate van haar kennis van het uitgevoerde traject. Ook blijkt daaruit dat ze voor schuldenaren moeilijk aanspreekbaar is voor het verloop van het traject.
Kort gezegd kan niet volstaan worden met het inhuren van een wsnp-bewindvoerder ter controle en aftekening van de stukken van het minnelijk traject.
Bij gebrek aan de door wetgever geïmpliceerde waarborg voor een juiste uitvoering van dit minnelijk traject, had het op de weg van verzoeker gelegen ten minste over de inhoudelijke kwaliteit het nodige aan te voeren. Uit het voorgaande blijkt dat de verklaring van [X] daarvoor onvoldoende is. Nu over die inhoudelijke kwaliteit niets anders is gesteld of gebleken, komt de rechtbank niet tot een ander dan het volgende oordeel.
Nu het verzoekschrift niet voldoet aan de daaraan in artikel 285 Fw Pro. gestelde eisen, zal de rechtbank verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de zinsnede in de ‘rapportage schuldbemiddelaar betreffende het minnelijk traject’ van 4 december 2014 “Namens de schuldbemiddelingsinstantie Grip Schuldhulpverlening, die hiermee verklaart te voldoen aan de vereisten van artikel 48 lid 1 onder Pro C van de Wet op het Consumentenkrediet” feitelijk onjuist is, omdat Grip Schuldhulpverlening zelf juist niét voldoet aan de bedoelde vereisten.

BESLISSING

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. G.H.M. Smelt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2015 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach LL.B., griffier.