ECLI:NL:RBDHA:2015:7353
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontheffing non-concurrentiebeding franchiseovereenkomst afgewezen wegens misbruik van procesrecht
In deze zaak vordert eiseres ontheffing van het non-concurrentiebeding uit een franchiseovereenkomst met Groei-en. Eiseres stelt dat niet Groei-en maar een derde partij, IPQR, de contractspartij is, en dat het beding daarom niet op haar van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of een rechtsgeldige contractsoverneming heeft plaatsgevonden, wat het kader van kort geding te buiten gaat.
De rechtbank oordeelt dat het niet aannemelijk is dat eiseres vrijstaat het non-concurrentiebeding te negeren, noch dat zij daaraan gebonden is. Omdat eiseres op voorhand had moeten weten dat haar vordering in kort geding zou worden afgewezen, is sprake van misbruik van procesrecht. Daarom wordt zij veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
De rechtbank wijst de vordering van eiseres af, veroordeelt haar in de kosten van het geding en bepaalt dat deze kosten binnen veertien dagen voldaan moeten worden. De uitspraak bevestigt dat geschillen over contractsoverneming en de geldigheid van het non-concurrentiebeding nader bodemonderzoek vereisen.
Uitkomst: Vordering tot ontheffing van het non-concurrentiebeding wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht.