Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
“rigorous scrutiny”in het licht van de
“arguable claim”die uit het dossier van haar en van haar echtgenoot blijkt. Verweerders beleid, waarin bahá’í zijn aangemerkt als een groep van bijzondere aandacht waarbij minder eisen worden gesteld aan de aannemelijkheid van het individuele relaas, vraagt om een nieuwe beoordeling van de asielmotieven van eiseres ten opzichte van de beoordeling in haar vorige asielprocedures. Bovendien vraagt dit beleid om een beoordeling van de wijze waarop eiseres tijdens haar verblijf in Nederland uiting heeft gegeven aan haar geloof en aan hoe zij hier in de toekomst bij een onverhoopte uitzetting naar Iran uiting aan wil geven. Eiseres is geen uitleg of toelichting gegeven over de rol van de vragen tijdens de hoorzitting van 19 november 2013 noch is er adequaat doorgevraagd. Verweerder heeft voorts ten onrechte geen rekening gehouden met de uitgebreide verklaringen gedurende de gehoren in haar eerste procedure omtrent de problemen die zij in Iran heeft ondervonden ten gevolge van haar geloof. Daarbij is volgens eiseres van groot belang dat verweerder haar bekering tot het bahá’í-geloof niet heeft betwist, maar slechts de problemen met de autoriteiten die zij als gevolg daarvan heeft ondervonden. Het lag dan ook op de weg van verweerder om aan eiseres te kennen te geven dat van haar verwacht werd uitgebreide of gedetailleerde antwoorden te geven. Voorts is niet gebleken dat over het geloof van eiseres gedetailleerde vragen zijn gesteld of dat is doorgevraagd. Dit is in strijd met de onderzoeksplicht die op grond van artikel 3:2 en Pro artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verweerder rust. Dit klemt te meer, nu sprake is van een belastend besluit dat in negatieve zin sterk ingrijpt in de rechtspositie van eiseres.