ECLI:NL:RBDHA:2015:7876
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking marktvergunning wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Eiser was houder van een marktvergunning voor meerdere dagen op de markt te [plaats]. Na een controle werd vastgesteld dat eiser een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in dienst had, wat leidde tot een boeterapport van de Inspectie SZW en het voornemen tot intrekking van de vergunning.
Verweerder trok de vergunning per 1 oktober 2014 in en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat artikel 13, eerste lid, onder f van de Marktverordening, dat de intrekking verplicht stelt bij overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen, in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name redelijkheid en proportionaliteit.
De rechtbank oordeelde dat de Marktverordening een algemeen verbindend voorschrift is en dat exceptieve toetsing mogelijk is. De dwingende formulering van artikel 13, eerste lid, onder f is bewust gekozen om een veilige en eerlijke markt te waarborgen en oneerlijke concurrentie te voorkomen. De belangenafweging is door verweerder gemaakt en de rechtbank achtte deze niet kennelijk onredelijk.
Omdat vaststond dat eiser de Wet arbeid vreemdelingen heeft overtreden, was de intrekking terecht en kon de rechtbank niet verder ingaan op de door eiser aangevoerde belangen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de marktvergunning wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt ongegrond verklaard.