ECLI:NL:RBDHA:2015:7939

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
15_1224 IBPVV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 65 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing ambtshalve herziening navorderingsaanslag 1989

Eiser verzocht om ambtshalve herziening van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1989. De inspecteur wees dit verzoek af en gaf ten onrechte aan dat hiertegen bezwaar kon worden gemaakt. Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), dat van toepassing is op belastingjaar 1989, een beslissing tot afwijzing van een verzoek om ambtshalve herziening geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Hierdoor kon het bezwaar niet ontvankelijk worden verklaard in plaats van ongegrond.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak werd mondeling gedaan op 8 juli 2015 door rechter G.J. Ebbeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening navorderingsaanslag 1989 wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 15/1224
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [plaats] , eiser,

en

[verweerder] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 5 januari 2015 op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve herziening van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1989.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015.
Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft op de ochtend van de zitting per faxbericht meegedeeld niet te zullen verschijnen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats
treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser heeft verweerder verzocht de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij toegepaste verhoging voor het jaar 1989 ambtshalve te herzien. Verweerder heeft dit verzoek op 1 juli 2014 afgewezen en daarbij vermeld dat tegen die beslissing bezwaar kan worden gemaakt.
2. Uit artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat in het belastingrecht alleen in beroep kan worden gekomen tegen een belastingaanslag of tegen een voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Artikel 9.6, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering gebeurt bij een voor bezwaar vatbare beschikking, maar deze bepaling geldt eerst voor belastingaanslagen over het jaar 2010 en verder (artikel XXVII, eerste lid, onderdeel a, van de Fiscale vereenvoudigingwet 2010, Stb. 2009, 611).
4. Voor het belastingjaar 1989 geldt dat uitsluitend om ambtshalve herziening kan worden gevraagd op de voet van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Een beslissing van de inspecteur ingevolge dat artikel is niet een voor bezwaar vatbare beschikking. Verweerder heeft dan ook ten onrechte in zijn beslissing van 1 juli 2014 vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt.
5. Wanneer tegen een beslissing waartegen geen bezwaar openstaat toch bezwaar wordt gemaakt, moet verweerder dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Verweerder heeft het bezwaar van eiser echter ongegrond verklaard. Om die reden is het beroep gegrond verklaard.
6. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, letter b, van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat geen kosten zijn gesteld die voor vergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.