Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2015 in de zaak tussen
[eiser] wonende te [plaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Geschil6.In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht.
- veroordeling van verweerder voor het misbruik maken van een bevoegdheid en het verwijtbaar onjuist handelen door belasting na te heffen die reeds uitgebreid is beoordeeld;
- genoegdoening voor niet gepaste uitlatingen aan het adres van eiser, het financieel en organisatorisch leed, het persisteren in onjuiste standpunten, fouten, suggestieve
- het als niet verzonden beschouwen van de aankondiging van het boekenonderzoek;
- het geven van volledige inzage in het dossier.
[BV 2] ingediende aangifte over het vierde kwartaal 2012 en de weigering van verweerder om de bij die aangifte gevraagde teruggaaf te verlenen. In de onderhavige zaak gaat het echter om een naheffingsaanslag die betrekking heeft op een andere belastingplichtige en een ander tijdvak. De rechtmatigheid en de juistheid van de naheffingsaanslag en de beschikkingen dienen zelfstandig te worden beoordeeld op de grondslag van hetgeen door partijen met betrekking tot die belastingplichtige en dat tijdvak is aangevoerd. Adequate uitvoering van de belastingwetgeving brengt mee dat de belastinginspecteur bevoegd is nadere informatie op te vragen voor zover die voor de belastingheffing van belang kan zijn en een boekenonderzoek of een ander onderzoek in te stellen. Dat de vragen van verweerder aanvankelijk betrekking hadden op de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV 2] betekent dus niet dat verweerder niet bevoegd was om ook de aangiften van eiser over het onderhavige naheffingstijdvak aan een onderzoek te onderwerpen. De beroepsgronden van eiser dat verweerder zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt en ten onrechte een boekenonderzoek wilde instellen, stuiten hierop af. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd over de afhandeling van de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV 2] kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep. Dit kan slechts aan de orde worden gesteld in de procedure van [BV 2] met betrekking tot dat aangiftetijdvak en behoeft hier dan ook geen verdere beoordeling. Eiser heeft zijn stelling dat hij door de handelwijze van verweerder ernstig in zijn procesbelang is geschaad niet geconcretiseerd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij door die handelwijze onredelijk hoge kosten heeft moeten maken.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de boetebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking;
- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond;
- verklaart zich voor wat betreft de overige eisen onbevoegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 367,50.
mr A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.