In deze bestuursrechtelijke bodemzaak heeft het college van Burgemeester en wethouders van Delft een besluit genomen waarin werd vastgesteld dat geen dwangsommen verschuldigd waren aan eiser. Na bezwaar werd dit primaire besluit herroepen en werd een dwangsom van €140 toegekend, evenals een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,5. Eiser stelde beroep in tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding betrekking heeft op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij de daadwerkelijk in rekening gebrachte kosten niet relevant zijn vanwege het forfaitaire vergoedingsstelsel in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelde vast dat de gemachtigde van eiser als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
Verder werd geoordeeld dat de gehanteerde wegingsfactor van 0,5 onterecht was, omdat de zaak inhoudelijk van aard was en niet als zeer licht kon worden gekwalificeerd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde de vergoeding vast op €487, met aftrek van het reeds betaalde bedrag. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.