Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [1991] , van Guinese nationaliteit, eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Ter toelichting van voormelde aanvraag heeft eiseres in een brief van 13 juli 2010 onder meer gemeld dat zij een afspraak heeft om op 21 juli 2010 een mvv aan te vragen voor verblijf bij (pleeg)moeder in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e dan wel f, van de Vw. In deze brief verwijst eiseres naar Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) en artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Bij besluit van 17 februari 2011 is de aanvraag van eiseres getoetst aan de wet- en regelgeving inzake gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis. Daarbij is de aanvraag afgewezen.
Bij uitspraak van 1 juni 2012 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het tegen het besluit van 28 oktober 2011 gerichte beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 november 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het tegen voormelde uitspraak gerichte hoger beroep gegrond verklaard, voormelde uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2011 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
Bij besluit van 16 december 2013 is het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2011 alsnog gegrond verklaard en is aan eiseres een mvv met de beperking gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis verleend.
Tegen de beslissing op bezwaar van 16 december 2013 heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend. Dit besluit staat in rechte vast.
Door onbehoorlijke voorlichting en een lokkettentruc in de eerdere procedure is eiseres een effectief beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Definitierichtlijn alsook een effectief rechtsmiddel ontnomen. Immers, de op 21 juli 2010 ingediende aanvraag heeft de minister automatisch aangemerkt als slechts een aanvraag met het oog op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, waarbij volgens de minister niet getoetst wordt aan internationale bepalingen. Dit standpunt is eiseres eerst kenbaar geworden toen zij al meerderjarig was geworden. Het besluit van 28 oktober 2011 is dan ook in strijd met het beginsel van fair play.
In de eerdere procedure had de minister, gezien het door eiseres opgegeven feitelijk verblijfsdoel, niet mogen volstaan met een toets aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw maar had de minister ook dienen te toetsen aan Gezinsherenigingsrichtlijn en de Definitierichtlijn alsook artikel 8 van Pro het EVRM. Indien de minister dit had gedaan dan had hij tot de conclusie moeten komen dat eiseres mede gezien haar minderjarigheid in aanmerking komt voor gezinshereniging op grond van voormelde richtlijnen en artikel 8 van Pro het EVRM en had hij haar om die reden een mvv voor een regulier verblijfsdoel moeten verlenen.
Gelet op het voorgaande dient verweerder in de onderhavige procedure eiseres als minderjarige aan te merken.
Hetgeen onder 4.1. staat ziet op de totstandkoming van de besluitvorming in de eerdere procedure en is door eiseres in de eerdere procedure ook ter afwering van het besluit op bezwaar van 28 oktober 2011 in hoger beroep aangevoerd. Nadat de ABRvS dit besluit heeft vernietigd is bij besluit op bezwaar van 16 december 2013 aan eiseres een mvv verstrekt in het kader van “nareis”. Tegen dit besluit heeft eiseres echter geen rechtsmiddel aangewend, terwijl zij reeds in die procedure van mening was dat de minister niet mocht volstaan met een toets aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw maar ook had dienen te toetsen aan de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Definitierichtlijn alsook artikel 8 van Pro het EVRM. Het lag op de weg van eiseres om in de eerdere procedure rechtsmiddelen aan te wenden ter verkrijging van een rechterlijk oordeel over de wijze van totstandkoming van de besluitvorming in die procedure en de motivering daarvan. Zo had eiseres haar stelling dat ten onrechte niet aan het Unierecht en artikel 8 van Pro het EVRM is getoetst en dat bij toetsing daaraan haar minderjarigheid als uitgangspunt moet worden genomen wederom aan een rechterlijk oordeel kunnen onderwerpen.
Gelet op het voormelde kan de verwijzing naar een uitspraak van de ABRvS van 22 februari 2013, ECLI:NL:RVS:BZ2791, en de WMO Richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden eiseres niet baten.