ECLI:NL:RBDHA:2015:9781
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en bevoegdheid tot motorrijtuigcontrole op locatie
Eiser kocht een gebruikte auto in Duitsland en deed aangifte BPM met een door een taxateur vastgesteld waardebedrag. Verweerder legde een naheffingsaanslag op, gebaseerd op een andere waardebepaling en stelde dat eiser de auto op een door hem aangewezen plaats moest tonen voor controle, wat eiser betwistte.
De rechtbank oordeelde dat artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 bevoegdheid geeft tot het stellen van een plaats en tijdstip voor controle en dat dit proportioneel is. De stelling dat dit in strijd is met EU-recht werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat de bewijslast niet kon worden omgekeerd of verzwaard omdat eiser een taxatierapport overlegd had.
De rechtbank vond de methode van waardebepaling door eiser aanvaardbaar, maar onvoldoende onderbouwd voor het volledige schadebedrag. Verweerder had de naheffingsaanslag berekend op basis van een gunstiger regime en cataloguswaarde, wat de rechtbank volgde met een aangepaste naheffingsaanslag van € 1.462.
De naheffingsaanslag werd verminderd en het beroep gegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser. De rechtbank vond geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de handelwijze van verweerder.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 1.462 en het beroep gegrond verklaard.