Eiseres maakte bezwaar tegen de beslissing van verweerder om een derde persoon, die tijdelijk op haar adres stond ingeschreven, aan te merken als toeslagpartner voor het kindgebonden budget 2014. Verweerder baseerde zich op artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), dat stelt dat meerderjarigen die samen met een minderjarig kind op hetzelfde adres staan ingeschreven als partners worden aangemerkt, tenzij sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de toepassing van dit artikel in deze situatie onjuist was, omdat de wetgever met deze regeling een specifieke situatie beoogde, namelijk samenwonenden in samengestelde gezinnen die anders een financieel voordeel zouden genieten. In dit geval betrof het een tijdelijke opvangsituatie zonder financiële of zorgplichtrelatie.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, herstelde de definitieve vaststelling van het kindgebonden budget op het oorspronkelijk toegekende voorschotbedrag en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter Batelaan-Boomsma op 18 juli 2016.