ECLI:NL:RBDHA:2016:10608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens ontbreken individuele afweging vertrektermijn
Eiser werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit inclusief een inreisverbod van twee jaar, opgelegd door verweerder. Eiser stelde dat hem ten onrechte geen vertrektermijn was toegekend, terwijl volgens hem geen risico bestond dat hij zich aan toezicht zou onttrekken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom in het geval van eiser werd afgezien van een vertrektermijn. Daarbij werd onder meer niet meegewogen dat eiser een oom in Rotterdam heeft, een omstandigheid die volgens het eigen beleid van verweerder relevant is voor de proportionaliteitstoets.
Het arrest van het Hof van Justitie van de EU (C-554/13) werd aangehaald om te benadrukken dat het niet toekennen van een vertrektermijn per geval moet worden beoordeeld en niet automatisch mag plaatsvinden bij risico op onderduiken.
De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vertoont en vernietigde het besluit en het inreisverbod. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden vernietigd wegens ontbreken van een individuele afweging voor het onthouden van een vertrektermijn.