ECLI:NL:RBDHA:2016:10942
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublin-overeenkomst afgewezen
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 14 april 2016 een asielaanvraag in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië als verantwoordelijke lidstaat werd aangemerkt volgens de Dublin-overeenkomst.
Eiser betoogde dat er in Italië sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvang, onderbouwd met rapporten van VluchtelingenWerk Nederland en de Schweizerische Flüchtlingshilfe. De rechtbank verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië werd bevestigd. De aangevoerde rapporten boden geen nieuw of wezenlijk ander inzicht dat dit oordeel zou kunnen wijzigen.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Italië niet voldoet aan de normen, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.