ECLI:NL:RBDHA:2016:10943
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinprocedure Duitsland
Eiser, een Georgische nationaliteit bezittende persoon, diende op 5 juli 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij op 15 april 2016 al een asielaanvraag in Duitsland had ingediend. Naar aanleiding hiervan stuurde de Nederlandse staatssecretaris een terugnameverzoek aan Duitsland, dat werd geaccepteerd, waardoor de Nederlandse autoriteiten de asielaanvraag niet in behandeling namen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde aan dat de rechtsbijstand in Duitsland ontoereikend was en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing kon zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de Duitse asielprocedure binnen de EU-richtlijnen valt en dat er geen aannemelijke tekortkomingen waren aangetoond in de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Duitsland. Ook de eigen verklaringen van eiser ondersteunden dit niet.
Daarnaast faalde het beroep van eiser op artikel 80 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de preambule van de Dublinverordening. De rechtbank stelde dat artikel 80 VWEU Pro geen directe werking heeft en dat er geen bewijs was voor het instorten van het Duitse asielstelsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.