Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder wees deze aanvraag bij besluit van 30 november 2015 af en verklaarde het bezwaar van eiseres ongegrond bij besluit van 17 maart 2016. Eiseres stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
De rechtbank heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, onverenigbaar is met artikel 7, eerste lid, van de EU Verblijfsrichtlijn. Verweerder hanteert een eis van zes maanden aaneengesloten verblijf in een andere lidstaat, terwijl de richtlijn volstaat met drie maanden verblijf.
Verweerder kreeg de gelegenheid het gebrek in het besluit te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 992,-. De uitspraak is gedaan door rechter J.M.E. Derks op 6 september 2016.