De rechtbank Den Haag behandelde op 7 september 2016 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het opzettelijk verkopen en in voorraad hebben van valse merkkleding voorzien van andermans handelsnaam en merk.
De officier van justitie stelde aanvankelijk een bedrag van €9.026,- vast, maar verhoogde dit later tot €18.053,70, waarbij werd uitgegaan van de volledige omzet zonder aftrek van kosten vanwege de wettelijke regeling voor misdrijven die worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De verdediging voerde aan dat de stortingen op de bankrekening niet aan veroordeelde konden worden toegerekend en dat sprake was van een kortere periode en dubbeltelling.
De rechtbank stelde vast dat de bankrekening werd gebruikt voor ontvangsten uit de verkoop van valse merkkleding en dat ook contante verkopen plaatsvonden. De storting van €10.000,- op de rekening van veroordeelde werd als handelsgeld aangemerkt. Gezien de eerdere transactie uit 2013 en het ontbreken van aannemelijke legale inkomsten, werd het volledige bedrag van €18.053,70 als wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.