ECLI:NL:RBDHA:2016:1155
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Wit-Rusland
Verzoeker, een Wit-Russische burger, maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Wit-Rusland en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar was beslist. Hij voerde aan dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, waaronder een aanwijzing als verdachte door de autoriteiten in Wit-Rusland en een slechte mensenrechtensituatie in dat land.
De rechtbank overwoog dat de stukken waarop verzoeker zich baseerde dateren van vóór zijn tweede asielaanvraag en dat deze eerder hadden kunnen worden overgelegd. Bovendien waren het kopieën en geen originelen. De rechtbank stelde vast dat de aangevoerde feiten niet nieuw of relevant waren voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, mede gelet op eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat uitzetting geen schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Daarom kon het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet slagen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Wit-Rusland wordt afgewezen.