ECLI:NL:RBDHA:2016:12237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2016
Publicatiedatum
12 oktober 2016
Zaaknummer
AWB 16/11201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:17 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur in gebreke stellen bij verlenging beslistermijn asielaanvraag

Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 23 oktober 2015 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser verweerder op 26 april 2016 in gebreke. Verweerder had echter tijdig, op 22 april 2016, schriftelijk medegedeeld dat de beslistermijn conform artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 met maximaal negen maanden was verlengd tot uiterlijk 27 januari 2017.

Eiser stelde daarop beroep in bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelde dat het prematuur in gebreke stellen van eiser betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank verwees naar de wettelijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, die de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn en de kennisgeving daarvan regelen.

De rechtbank stelde vast dat verweerder de beslistermijn tijdig had verlengd en dat eiser derhalve niet terecht een dwangsom kon vorderen. Inmiddels was op 8 juli 2016 een besluit op de asielaanvraag genomen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder tijdig de beslistermijn heeft verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16 / 11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser] , nationaliteit: Eritrese, eiser

(gemachtigde: mr. F. Engelbertink),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.
gemachtigde: mr. Ch.P. Vink, werkzaam bij de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND).

Procesverloop

Op 1 november 2015 heeft eiser verweerder verzocht om verlening van een verblijfsvergunning asiel.
Op 4 mei 2016 heeft eiser verweerder, in verband met het uitblijven van een besluit op zijn verzoek, in gebreke gesteld.
Op 22 mei 2016 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.
Van de zijde van verweerder is op 13 juni 2016 een reactie ingediend.
Verweerder heeft bij besluit van 8 juli 2016 een besluit op de asielaanvraag genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bedraagt de termijn in dit geval zes maanden.
Ingevolge artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.
Bij besluit van 9 februari 2016 in paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat met ingang van 11 februari 2016 gebruik zal maken van de in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om in individuele zaken de beslistermijn met maximaal 9 maanden te verlengen. In de toelichting bij het besluit dat heeft geleid tot de betreffende wijziging van de Vc 2000, te weten het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2016, nummer WBV 2016/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2016, 7573) heeft verweerder uiteengezet dat vreemdelingen die met ingang van 11 februari 2016 een asielaanvraag indienen, zullen worden geïnformeerd over de verwachte behandelduur van hun aanvraag (en dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000, verlengd zal worden).
Ingevolge artikel 42, zevende lid, stelt Onze Minister de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt. In artikel 3.120 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is bepaald dat, indien de termijn voor het geven van de beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 wordt verlengd, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis wordt gesteld. Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.
Verweerder heeft eiser bij brief van 22 april 2016 medegedeeld dat de beslistermijn van maximaal zes maanden tot maximaal vijftien maanden is verlengd en dat eiser uiterlijk op
27 januari 2017 een beslissing op de asielaanvraag kan verwachten.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend op 23 oktober 2015. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder voor het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden aan eiser in een persoonlijke brief heeft laten weten dat hij deze termijn zal verlengen tot 27 januari 2017.
Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder de beslistermijn in de asielprocedure van eiser tijdig heeft verlengd en dat eiser verweerder derhalve op 26 april 2016 prematuur in gebreke heeft gesteld. Daarom heeft verweerder niet op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb een dwangsom verbeurd. Inmiddels is op 8 juli 2016 een besluit op de asielaanvraag genomen.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.