Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter zitting
2.De vordering
primairwordt geschat op € 134.400,00 en
subsidiairop een bedrag van € 105.000,00. Ter onderbouwing van de subsidiaire vordering heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de eigen verklaring van de veroordeelde, afgelegd bij de politie op 9 oktober 2014, dat hij (netto) gemiddeld tussen de € 500,00 en € 2.000,00 per kandidaat heeft verdiend.
13 mei 2016 - aangevoerd dat de berekening van de politie en het openbaar ministerie niet aansluit bij de bewezenverklaring en motivering van de rechtbank in het strafvonnis en dat de factoren die de politie heeft gebruikt ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende redengevend c.q. betrouwbaar zijn. Daarnaast heeft de veroordeelde aangevoerd dat hij langlopende betalingsregelingen is overeengekomen met zijn klanten en dat niet aannemelijk is dat openstaande rekeningen nog worden betaald. De veroordeelde heeft ter terechtzitting ook aangevoerd dat de verklaringen die de veroordeelde bij de politie heeft afgelegd onder druk zijn afgelegd, en om die reden niet mogen worden gebruikt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.Grondslag van de vordering
5.Het toepasselijke wetsartikel
6.De beslissing
€ 67.500,00;
€ 67.500,00aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.