ECLI:NL:RBDHA:2016:12957
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering opheffing inreisverbod op grond van gezinsleven en bijzondere omstandigheden
Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Na afwijzing van bezwaar en hoger beroep tegen deze besluiten, verzocht eiser om opheffing van het inreisverbod. De rechtbank beoordeelde of bijzondere feiten en omstandigheden, waaronder het gezinsleven met zijn Nederlandse echtgenote, een opheffing rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat het gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote reeds bestond ten tijde van het inreisverbod en dat het huwelijk niet als nieuwe band kan worden gezien. De overgelegde huwelijksakte en verklaring boden geen objectief bewijs van feitelijk gezinsleven, mede doordat eiser en zijn echtgenote in verschillende landen verblijven. Bovendien is er geen objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten.
Verweerder stelde terecht dat eiser niet aan de voorwaarden voor opheffing voldoet, zoals het verblijven buiten Nederland voor ten minste de helft van de duur van het inreisverbod en het ontbreken van bijzondere feiten. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit gebrekkig was gemotiveerd wat betreft het gezinsleven, maar dat dit niet leidt tot opheffing van het inreisverbod.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek tot opheffing af. Er werden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.