Eiser, die het syndroom van Asperger heeft en ernstige depressieve klachten, ontving op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding. Verweerder kende dit pgb toe via primaire besluiten, maar verklaarde het bezwaar van eiser tegen de hoogte en inhoud van deze budgetten ongegrond in het bestreden besluit.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende maatwerk had geleverd en niet volledig zijn ondersteuningsbehoefte had onderzocht, met name bij het keukentafelgesprek. Ook was de motivering van de toegekende pgb’s ontoereikend en was sprake van een onterechte terugwerkende kracht.
De rechtbank oordeelde dat het ondersteuningsplan zeer summier was, geen concrete uren, intensiteit of frequentie van begeleiding bevatte en onvoldoende inzicht gaf in de vertaling naar de toegekende pgb’s. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of het pgb een passend alternatief was voor zorg in natura. Verweerder had zijn onderzoeksplicht onvoldoende nagekomen en het besluit was onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met een adequaat onderzoek en motivering. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.