ECLI:NL:RBDHA:2016:13767
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verantwoordelijke lidstaat asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit bezittende persoon, diende op 7 augustus 2016 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen op grond van een eerder verleend visum verantwoordelijk werd geacht volgens artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Eiser betoogde dat Hongarije de verantwoordelijke lidstaat was, omdat hij daar op 2 augustus 2016 asiel had aangevraagd na zijn reis vanuit Polen. De rechtbank overwoog dat de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand van de situatie op het moment van de eerste asielaanvraag bij een lidstaat, conform artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening.
Omdat eiser reeds gebruik had gemaakt van het Poolse visum voordat hij in Hongarije asiel aanvroeg, mocht Nederland zich tot Polen wenden voor terugname. Polen stemde hiermee in. De rechtbank wees het beroep af en wees ook het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er werden geen kosten aan partijen toegewezen. Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.