ECLI:NL:RBDHA:2016:13769

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2016
Publicatiedatum
16 november 2016
Zaaknummer
NL16.2875 en NL16.2876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 34 Verordening (EU) Nr. 604/2013Art. 17 Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Iraakse nationaliteit bewerende alleenreizende minderjarige, diende een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Uit het onderzoek bleek dat eiser meerdere aliassen gebruikte en in het Verenigd Koninkrijk als meerderjarige stond geregistreerd, waardoor twijfels over zijn minderjarigheid werden weggenomen.

Eiser voerde aan dat hij wel minderjarig is en dat een leeftijdsonderzoek moest worden uitgevoerd. Hij gaf aan in Engeland zijn geboortedatum bewust te hebben aangepast vanwege beperkingen voor minderjarigen en vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van meerderjarigheid mocht uitgaan vanwege het ontbreken van authentieke documenten en dat er geen reden was om alsnog een leeftijdsonderzoek te verrichten.

Daarnaast werd het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bescherming biedt tegen overdracht bij bijzondere omstandigheden, verworpen omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het Verenigd Koninkrijk zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen of dat overdracht onevenredige hardheid zou veroorzaken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Kosten werden niet toegewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-in behandeling neming van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL16.2875 (beroep) en NL16.2876 (verzoek)
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 november 2016 in de zaken tussen

[naam ], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

gemachtigde mr. J.M. Walls,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tevens een voorlopige voorziening verzocht ter voorkoming van overdracht hangende het beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Shikh-Salo, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te bezitten en een alleenreizende minderjarige te zijn, geboren op [geboortedatum] of [geboortejaar]. Op 24 augustus 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag, omdat eiser op 19 december 2012 in het verenigd Koninkrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 3 oktober 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk het terugnameverzoek bevestigd met een claimaccoord. Om die reden is de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat uit het in het Verenigd Koninkrijk ingestelde onderzoek op grond van artikel 34 van Pro de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) is gebleken dat eiser verschillende aliassen gebruikt en dat hij in het verenigd Koninkrijk bekend is als [naam 1], geboren op [geboortedatum 2], van Syrische nationaliteit. Zijn asielaanvraag is op 4 juni 2013 afgewezen. De aanvankelijk bij verweerder aanwezige twijfels over de identiteitsgegevens van eiser zijn met deze informatie weggenomen. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn gestelde minderjarigheid onderbouwen heeft op basis van de uit het Verenigd Koninkrijk ontvangen gegevens als uitgangspunt te gelden dat eiser geboren is op [geboortedatum 2] en meerderjarig is. Gelet hierop bestond er volgens verweerder dan ook geen aanleiding een leeftijdsonderzoek uit te voeren.
3. Eiser heeft in beroep betoogd dat hij wel degelijk minderjarig is, zodat een overdracht op grond van de Dublinverordening niet aan de orde is. Hij stelt dat verweerder zich moet houden aan het op 11 september 2016 aangekondigde leeftijdsonderzoek. Door dit onderzoek niet uit te voeren is sprake van een onzorgvuldig voorbereide beslissing. In Engeland heeft hij destijds zijn geboortejaar bewust laten veranderen in [geboortejaar 2], omdat hij als minderjarige niet het recht had het AZC te verlaten en niet kon gaan werken. Hij wilde geld verdienen om naar Irak te sturen, omdat zijn moeder ernstig ziek was en zijn vader gehandicapt is. Hij geeft toe zich in Engeland als een Syriër te hebben voorgedaan, maar hij heeft dit gedaan op aanraden van de volwassenen om hem heen. Hij stelt een kopie van zijn geboortegegevens uit Irak te kunnen laten overkomen, mits hem toegang wordt verleend tot het internet. Hij zit sinds 15 september 2016 in vreemdelingenbewaring, waar hij geen toegang heeft tot internet, Facebook of whatsapp. Eiser vreest voor zijn leven als hij naar Engeland wordt teruggestuurd, omdat de broers van een door hem zwanger gemaakte minderjarige op wraak uit zijn en al een aanslag op zijn leven hebben laten uitvoeren toen hij in Engeland in de gevangenis zat.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, dat met de uit het Verenigd Koninkrijk ontvangen gegevens over eiser de bij verweerder aanvankelijk bestaande twijfels over zijn leeftijd zijn weggenomen. Bij gebreke aan (authentieke) documenten die de gestelde minderjarigheid onderbouwen, mocht verweerder van zijn meerderjarigheid uitgaan. Er is dan ook geen reden eiser alsnog een termijn te gunnen een kopie van zijn identiteitskaart te laten opvragen bij zijn familie in Irak. Eiser had dit in de afgelopen jaren kunnen doen, maar heeft dat niet gedaan. Dit komt voor zijn rekening en risico. De gestelde problemen met zijn geheugen doen daar niet aan af, reeds omdat hiervoor geen medische onderbouwing bestaat, althans niet is overgelegd.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding (meer) bestond een leeftijdsonderzoek uit te laten voeren. De uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige informatie over eiser maakte dit niet langer nodig, nu hieruit voldoende blijkt met welke geboortedatum eiser aldaar geregistreerd staat.
6. Met zijn gestelde vrees voor de broers van de minderjarige moeder van zijn zoon, beoogt eiser kennelijk een beroep te doen op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven te zien toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
8. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Verenigd Koninkrijk zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen, noch dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid zou zijn.
9. Op grond van het voorgaande is het beroep ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.
10. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nr. 16.2875:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak met nr. 16.2876:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2016.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.