ECLI:NL:RBDHA:2016:13866
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardig asielrelaas
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, verzocht om een verblijfsvergunning asiel die door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op de conclusie dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig was, ondanks dat zijn identiteit en nationaliteit werden erkend.
De rechtbank overwoog dat eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen had gegeven over de omstandigheden van de dood van zijn vader, waaronder inconsistenties over de wijze van overlijden en de betrokkenheid van vrienden van zijn vader. Ook was het verhaal over bedreigingen door schuldeisers en een langdurige ontvoering met martelingen onvoldoende concreet en geloofwaardig onderbouwd.
Eiser voerde aan dat hij jong was ten tijde van de gebeurtenissen en dat sommige verklaringen pas later waren toegelicht, maar de rechtbank vond de tegenwerpingen van verweerder terecht. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bescherming behoefde op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.