ECLI:NL:RBDHA:2016:13943
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing van naamskeuze en adeldom bij geslachtsnaamwijziging na gerechtelijke vaderschapsvaststelling
De zaak betreft een geschil over de geslachtsnaamwijziging van [zoon van eiser 1], die na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van eiser 1 zijn naam wilde wijzigen en daarbij de adellijke titel en het predicaat van zijn vader wilde voeren. Verweerder had dit verzoek toegewezen en het bezwaar van eiser 1 ongegrond verklaard. Eiser 1 betoogde dat artikel 1:5, tweede lid, BW niet van toepassing is op kinderen geboren vóór 1998 en dat artikel 3 van Pro de Wet op de adeldom niet toegepast mag worden vanwege internationale verdragen en bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het nieuwe artikel 1:5, tweede lid, BW ook geldt voor kinderen geboren vóór 1998 indien het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld, zoals hier het geval is. Daarnaast is de toepassing van artikel 3 van Pro de Wet op de adeldom gerechtvaardigd en niet in strijd met internationale verdragen of het EVRM. De rechtbank wees het beroep van eiser 1 af.
Wel werd geoordeeld dat verweerder ten onrechte het bezwaar van eiser 2 niet-ontvankelijk had verklaard, waardoor dat besluit deels werd vernietigd en eiser 2 in zijn proceskosten werd veroordeeld. De rechtbank bevestigde dat de adellijke titel en het predicaat overgaan volgens de Nederlandse adelsrechtelijke regels en dat particuliere huisregels van het Huis [geslachtsnaam eiser 1] hier niet aan afdoen.
De uitspraak bevestigt de rechtsgeldigheid van de geslachtsnaamwijziging met adellijke titel en predicaat voor kinderen met gerechtelijke vaderschapsvaststelling, ook indien geboren vóór 1998, en benadrukt de autonome werking van het Nederlandse adelsrecht ten opzichte van particuliere of buitenlandse regelingen.
Uitkomst: Het beroep van eiser 1 wordt ongegrond verklaard, het beroep van eiser 2 deels gegrond verklaard met vernietiging van het besluit inzake zijn bezwaar.