ECLI:NL:RBDHA:2016:1411
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen extra vergoeding voor bevel tot gevangenneming bij supersnelrechtzitting
In deze bestuursrechtelijke zaak vordert eiser een toeslag van twee punten op de vergoeding voor rechtsbijstand in een strafzaak, omdat tijdens een supersnelrechtzitting (ssr-zitting) een vordering tot gevangenneming werd behandeld. Eiser baseert zich op artikel 16 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), dat een verhoging van twee punten voorschrijft bij een oordeel over gevangenhouding of gevangenneming.
Verweerder stelt dat de forfaitaire vergoeding van vier punten voor ssr-zaken reeds rekening houdt met de extra werkzaamheden die een vordering tot gevangenneming met zich meebrengt. De rechtbank stelt vast dat het geschil draait om de vraag of deze toeslag ook bij ssr-zittingen van toepassing is.
De rechtbank oordeelt dat artikel 16 Bvr Pro niet voorziet in een toeslag bij ssr-zittingen, mede gelet op artikel 18 Bvr Pro waarin uitzonderingen op de toeslag worden genoemd. De korte doorlooptijd en het relatief eenvoudige karakter van ssr-zaken rechtvaardigen volgens de rechtbank de forfaitaire vergoeding zonder toeslagen. De extra werkzaamheden bij een bevel tot gevangenneming worden geacht inbegrepen te zijn in de vergoeding.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. van As op 25 januari 2016 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen toeslag toegekend voor de gevangennemingsvordering bij de supersnelrechtzitting.