ECLI:NL:RBDHA:2016:14204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht familielid EU-burger wegens onvoldoende bewijs verblijf Portugal
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een verblijfsdocument als familielid van een Nederlandse EU-burger, zijn echtgenote. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser en zijn echtgenote niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij ten minste zes maanden onafgebroken samen in Portugal hadden verbleven, een vereiste voor afgeleid verblijfsrecht onder richtlijn 2004/38/EG.
De rechtbank overwoog dat hoewel eiser bewijsstukken zoals contracten en rekeningafschriften had overgelegd, deze niet het gehele verblijf besloegen en slechts administratief van aard waren. Ook het feit dat de echtgenote zich niet uit de Nederlandse Basisregistratie Persoonsgegevens had uitgeschreven en een bijstandsuitkering ontving, wees erop dat het centrum van het gezinsleven niet naar Portugal was verplaatst.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij en zijn echtgenote daadwerkelijk en onafgebroken in Portugal hadden verbleven en daar een gezinsleven hadden opgebouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Portugal.