Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder
Woonpartners Midden-Holland, te [vestigingsplaats]
Procesverloop
Overwegingen
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.
Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de drempel van het normaal maatschappelijk risico op 4,14 % is vastgesteld.
De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. In beginsel draagt het bestuursorgaan de bewijslast van de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
Het komt de rechtbank niet onjuist voor dat verweerder onder deze omstandigheden aanleiding heeft gezien om het advies van AG te volgen en de drempel van het normaal maatschappelijk risico vast te stellen op 4,14 %. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.
Volgens het door AG bijgevoegde taxatierapport bedroeg de waarde van de woning op de peildatum € 255.000,- en heeft de tweede planologische wijziging tot een waardedaling van € 5.000,- geleid. Omdat de waardedaling minder dan 2% van de waarde van de woning op de peildatum bedraagt, komt de schade op grond van artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, niet voor vergoeding in aanmerking, aldus AG. Verweerder heeft dit advies bij het betreden besluit overgenomen.