ECLI:NL:RBDHA:2016:15260
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Polen op grond van Dublinverordening
Eiser, een asielzoeker van onbekende nationaliteit, diende op 25 juli 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder verzocht op 20 september 2016 de Poolse autoriteiten om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening, welke op 26 september 2016 werd geaccepteerd. Vervolgens werd de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser voerde aan dat Nederland in strijd handelt met artikel 32 van Pro het Vluchtelingenverdrag door hem over te dragen aan Polen, omdat het Vluchtelingenverdrag geen beperking van keuzevrijheid kent en voorrang heeft boven de Dublinverordening. Tevens stelde eiser dat het recht op asiel inhoudt dat zijn aanvraag in Nederland behandeld moet worden.
De rechtbank oordeelt dat het Vluchtelingenverdrag geen expliciet recht geeft op inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag in het land van keuze. Het verbod op refoulement is gewaarborgd binnen het Gemeenschappelijk Europees Asiel Systeem en het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat ervan uit dat Polen zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding om partijen te veroordelen in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Polen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.