ECLI:NL:RBDHA:2016:15933
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Frankrijk op grond van Dublinverordening
Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 18 oktober 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van deze aanvraag op grond van de Dublinverordening. Frankrijk accepteerde het overnameverzoek op 30 november 2016. De aanvraag werd door verweerder niet in behandeling genomen.
Eiser voerde aan dat Frankrijk asielaanvragen van Algerijnen niet naar behoren behandelt vanwege het koloniale verleden en de betrokkenheid van zijn grootvader in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Hij stelde dat Nederland zijn asielaanvraag moest behandelen op grond van het recht op een effectief rechtsmiddel volgens de Procedurerichtlijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zou nakomen. De stellingen van eiser waren niet met stukken onderbouwd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag aannemen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen, waaronder non-refoulement, naleeft.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter P.M. van Dijk-de Keuning op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen.