Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mrs. R. Funke Küpper en C. Eijgenraam, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
3.Geldigheid van de dagvaarding
- de processen-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 21 april 2016, blz. 520 tot en met 533, d.d. 29 april 2016, blz. 635 tot en met 643 en d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197, inhoudende een bekennende verklaring van de verdachte en de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 december 2016;
- het proces-verbaal van bevindingen, blz. 128 t/m 130;
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 28 februari 2016, blz. 131 t/m 138;
- het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 2 maart 2016, blz. 142 tot en met 156.
- het proces-verbaal van bevindingen, blz. 128 t/m 130;
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 28 februari 2016, blz. 131 t/m 137;
- het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 2 maart 2016, blz. 142 tot en met 150.
- Op 12 november 2015 om 18:03 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte een WhatsApp bericht dat [slachtoffer] een kluis in haar kledingkast heeft. [medeverdachte] geeft aan dat hij zelf met [medeverdachte] gaat kijken, waarop de verdachte aangeeft dat dat onmogelijk is zonder dat hij erbij is. Ook zegt de verdachte tegen [medeverdachte] dat hij niet die twee sleutels moet kwijtraken. De verdachte geeft aan dat hij hoopt dat ze (de rechtbank begrijpt: de bewoners van de [adres] ) met de kerstvakantie of oud en nieuw weggaan en dat ze anders het huis ’s nachts met oud en nieuw pakken.
- Op 21 november 2015 heeft [medeverdachte] contact met [slachtoffer] over waar zij die avond heen gaat en met wie, vervolgens hebben de verdachte en de medeverdachten contact:
- Vervolgens vinden op WhatsApp geen conversaties tussen de verdachte en de medeverdachten plaats op 21 november 2015 tussen 18:35 uur en 21:53 uur.
- Op 21 november 2015 om 21:53 uur stuurt [medeverdachte] : ‘Niks zeggen’, waarop de verdachte stuurt: ‘Denk je dat ik dom ben’. [medeverdachte] geeft aan dat hij de tas van de verdachte heeft, waarop de verdachte aangeeft dat [medeverdachte] deze bij zich moet houden.
- Op 22 november 2015 wordt tussen de verdachte en de medeverdachten gesproken over goederen die overeenkomen met de bij de inbraak weggenomen goederen. [medeverdachte] zegt ook: ‘niet eens 1 briefje. Saaf niet gevonden.’ ‘Saaf’ is straattaal voor geld. De verdachte geeft aan dat het tegen niemand van school vertelt moet worden, omdat je anders gepakt kan worden. [medeverdachte] stuurt: ‘Ze vind de inbrekers dom, omdat alleen een lappie en tablet is gepakt’, waarop de verdachte stuurt: ‘Jaa. We zagen niks verder. Die dingen moeten snel weg. Voordat word getraceerd. Breng agga ergens.’
- Op 30 oktober 2015 om 11:07 uur stuurt [medeverdachte] een WhatsApp bericht aan de verdachte dat hij naast de zus van [naam ] zit en haar sleutels uit haar tas kan stelen. Vervolgens geeft hij aan dat zij sowieso met kerst met vakantie gaan en dat dan het hele huis leeg gaat.
- Op 30 oktober 2015 om 11:12 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] dat hij naast de zus van [naam ] zit en gewoon haar sleutel kan pakken en dat zij met kerst weg zijn dus dat het huis dan leeg gaat. Hierop stuurt [medeverdachte] meerdere ‘verliefde smileys’.
- Op 2 november 2015 om 13:19 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte dat hij de sleutel van de zus van [naam ] heeft gepakt, waarop zij bespreken wanneer ze daar naar binnen gaan om een buit mee te nemen.
- Op 2 november 2015 om 14:20 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] dat hij de sleutel van het huis van [naam ] heeft gepakt en dat ze nu twee huizen hebben waardoor ze rijk worden, waarop [medeverdachte] zegt: ‘Kanker goedd.’
- Op 23 november 2015 om 10:34 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] en de verdachte: ‘Zaterdag pakken we G’.
- De [adres] is gelegen in de wijk de Leyens.
- Op 25 november 2015 hebben de verdachte en de medeverdachte meermalen contact met elkaar:
- Op 26 november 2015 om 17:31 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte en [medeverdachte] dat hij nog steeds geen adres heeft. De verdachte vraagt of [medeverdachte] dit wel kan regelen voor morgen. Om 20:57 uur stuurt [medeverdachte] dat ze sowieso iets voor hun gezicht moeten zetten, waarop [medeverdachte] vraagt: ‘Masker’, waarop [medeverdachte] stuurt: ’Nee, gwn sjaal. Maar niet zoals jij deed vorige keer. Gevaarlijk.’
- Op 27 november 2015 hebben de verdachte en de medeverdachte meermalen contact met elkaar:
- Vervolgens vinden op WhatsApp geen conversaties tussen de verdachte en de medeverdachten plaats op 27 november 2015 tussen 17:31 uur en 21:29 uur.
- Op 27 november 2015 om 21:29 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte en [medeverdachte] : ‘Ey. Ze weten al. Ze zijn oso.’ [medeverdachte] zegt dat hij de tanden van [naam ] gaat breken als hij gaat praten.
- Op 28 november 2015 om 8:00 uur stuurt de verdachte naar de medeverdachten: ‘We moeten snel doen. Anders t word miss getraceerd.’ Vervolgens wordt tussen de verdachte en de medeverdachten gesproken over goederen die overeen komen met de bij de inbraak weggenomen goederen.
- het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;
- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2016, blz. 985 tot en met 993
- het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 5 juli 2016, blz. 1006 tot en met 1009;
- het proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 6 juli 2016, blz. 1028 en 1029.
en
4.De strafbaarheid van de feiten
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De vordering van de benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
€ 12.500,- kan worden toegewezen en dat de vordering op dit punt voor het meerdere niet-ontvankelijk wordt verklaard zodat de benadeelde partij dat deel van de vordering bij de civiele rechter kan aanbrengen.
€ 3.640,-- toewijzen. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat zij in de eerste dertien weken na de bewezen verklaarde feiten voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijk werk zwaar beperkt was, zoals bedoeld in de “Richtlijn Huishoudelijke hulp” van de Letselschade Raad. Daarom kan voor die periode een bedrag van € 280,-- per week worden toegewezen voor kosten voor huishoudelijk hulp. Dit komt neer op een bedrag van (13 x € 280,--) € 3.640,--. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor huishoudelijk hulp na de dertiende week, mede in het licht van de betwisting door de verdediging, door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal op dit punt voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de civiele rechter aanbrengen.
- voor wat betreft feit 1: de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 25.881,60 ten behoeve van [slachtoffer] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2016 over het deel materiële schade groot € 15.881,60 en de wettelijke rente vanaf 25 februari 2016 over het deel immateriële schade groot € 10.000,--;
- voor wat betreft feit 2: de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 5.000,-- aan immateriële schade ten behoeve van [slachtoffer] , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2016.
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
- ten aanzien van feit 1: een bedrag van € 15.881,60 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 december 2016 voor wat betreft de materiële schade, respectievelijk 25 februari 2016 voor wat betreft de immateriële schade, telkens tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,
- ten aanzien van feit 2: een bedrag van € 5.000,-- immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
€ 25.881,60, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 over het deel immateriële schade groot € 10.000,-- en de wettelijke rente vanaf 15 december 2016 over het deel materiële schade groot € 15.881,60, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;
€ 5.000,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 december 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;