ECLI:NL:RBDHA:2016:16611
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan eis gezinsvorming voor binnenkomst
Eiseres, van Ethiopische nationaliteit, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging met haar echtgenoot, de referent, die in 2009 Nederland is binnengekomen en sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres op het moment van binnenkomst van de referent niet tot diens gezin behoorde.
Eiseres stelde dat deze eis een ongeoorloofde beperking vormt van het recht op gezinshereniging volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat de Nederlandse wetgeving deze richtlijn onjuist zou hebben geïmplementeerd. Tevens voerde zij aan dat er sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid tussen al getrouwde en later getrouwde asielzoekers, in strijd met het EVRM.
De rechtbank overwoog dat de eis dat de gezinsband bestond vóór de binnenkomst van de referent al sinds de implementatie van de richtlijn gold en dat de wetswijziging van 2013 geen inhoudelijke wijziging beoogde. De situatie in Nederland verschilt van de casus uit het EHRM-arrest Hode en Abdi, zodat geen schending van artikel 8 en Pro 14 EVRM is vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat de eis dat gezinsvorming vóór binnenkomst moet bestaan niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn of het EVRM.