Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
bezwaarschrift op grond van het Wetboek van Strafvorderingin de zaak tegen de verdachte:
Rechtbank Den Haag
De raadsman van de verdachte diende op 18 december 2015 een bezwaarschrift in tegen de weigering van de officier van justitie om alle tapgesprekken, SMS-berichten, observatieverslagen en printertaps op een gegevensdrager te verstrekken. De verdediging verwees daarbij naar artikel 32, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie gaf aan dat de verdediging de OT-verslagen en tapresultaten kan inzien en beluisteren bij de Centrale Balie van het Paleis van Justitie te Den Haag en stelde dat de niet in het dossier opgenomen observaties geen processtukken zijn. De rechter-commissaris besloot tot overleg tussen partijen om te proberen tot een oplossing te komen, maar beide partijen hielden vast aan hun standpunten.
De rechter-commissaris beoordeelde het bezwaarschrift op grond van artikel 34 Sv Pro, dat regelt dat de verdachte kennis kan nemen van stukken die van belang zijn voor de zaak en dat de officier van justitie het voegen of kennisnemen kan weigeren indien stukken geen processtukken zijn, mits met schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.
Uit de beoordeling bleek dat de verdediging geen processtukken worden onthouden en dat zij de mogelijkheid heeft om de tapgesprekken en OT-verslagen in te zien en te beluisteren bij de Centrale Balie. De rechter-commissaris concludeerde dat het bezwaarschrift ongegrond is en wees het af.
De beschikking werd gegeven te Den Haag op 20 januari 2016 door rechter-commissaris C.H.M. Royakkers.
Uitkomst: Het bezwaarschrift van de verdediging wordt ongegrond verklaard omdat de verdediging voldoende toegang heeft tot de processtukken.