Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- het tussenvonnis van 5 augustus 2015;
- het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2015 en de daarin genoemde stukken.
Rechtbank Den Haag
Partijen, [A] en [B], hadden een affectieve relatie en waren gezamenlijk eigenaar van een woning en een perceel grond. Na het beëindigen van hun relatie verbleef [B] alleen in de woning. [A] vorderde onder meer verkoop van de woning, betaling van een gebruiksvergoeding en vergoeding van investeringen.
De rechtbank oordeelde dat er geen afspraak was dat alle vermogensbestanddelen gemeenschappelijk waren, waardoor [A] recht had op een vergoedingsrecht van €94.077,98 en [B] op €17.797,15. De woning moest worden verkocht via een makelaar met een minimale prijs van €277.500. [B] moest alle lasten dragen en een gebruiksvergoeding van €159 per maand betalen vanaf 1 januari 2016.
Verder werd de verdeling van de gezamenlijke inboedel geregeld en werden overige vorderingen van partijen afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [B] tot medewerking aan verkoop woning, betaling gebruiksvergoeding en stelt vergoedingsrechten vast.