ECLI:NL:RBDHA:2016:16683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening Polen
Drie Pakistaanse asielzoekers dienden op 24 juli 2016 asielaanvragen in Nederland in. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nam deze niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Polen had ingestemd met het overnameverzoek.
De eiseressen voerden aan dat Polen structurele tekortkomingen vertoont in haar asielprocedure en opvang, waardoor overdracht zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op onmenselijke behandeling). Zij verwezen naar rapporten en brieven die deze tekortkomingen zouden aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de eiseressen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het AIDA-rapport en andere stukken toonden geen zodanige verslechtering van de situatie dat eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet meer gevolgd kon worden.
Ook werd geoordeeld dat Polen een effectief rechtsmiddel biedt en dat de problemen met rechtsbijstand en opvangvoorzieningen niet structureel zijn. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.