ECLI:NL:RBDHA:2016:16883
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kinderrechter in zaak verlenging ondertoezichtstelling
In deze zaak heeft verzoekster, moeder van drie minderjarige kinderen, een wrakingsverzoek ingediend tegen de kinderrechter die de verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing behandelde.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld op 9 mei 2016, waarbij verzoekster niet is verschenen. De kinderrechter heeft schriftelijk gereageerd en zich onthouden van het bijwonen van de zitting. De belanghebbende pleegmoeder was wel aanwezig.
Verzoekster stelde dat de kinderrechter partijdig was en de schijn van partijdigheid had gewekt door kritiekloos de beweringen van de gecertificeerde instelling te aanvaarden en haar te maant het kort te houden. De kinderrechter ontkende dit en verwees naar het proces-verbaal waaruit blijkt dat zij beide partijen aan het woord heeft gelaten en zich van oordeel heeft onthouden.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor partijdigheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het verzoek tot wraking werd afgewezen en het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.