ECLI:NL:RBDHA:2016:16885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2016
Publicatiedatum
6 maart 2017
Zaaknummer
C/09/508540 / KG RK 16-606
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in zorgtoeslagzaak

In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaarschrift van verzoeker over de zorgtoeslag 2007 ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde. Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die het beroep zou behandelen, stellende dat mogelijk Belgisch recht van toepassing is en verwijzend naar stukken van de Belastingdienst.

De rechter gaf schriftelijk aan het wrakingsverzoek af te wijzen en verklaarde geen schijn van partijdigheid te zien. Tijdens de mondelinge behandeling verscheen verzoeker en de rechter, belanghebbende was niet vertegenwoordigd.

De wrakingskamer overwoog dat een rechter onpartijdig moet worden vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden anders aantonen. Het verzoek tot wraking baseerde zich deels op het feit dat de rechter stukken had opgevraagd bij de Belastingdienst, maar dit is een normale processuele handeling en vormt geen grond voor wraking tenzij onbegrijpelijk en indicatief voor partijdigheid.

De wrakingskamer concludeerde dat geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid aanwezig zijn en wees het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2016/18
zaak-/rolnummer: 508540 / KG RK 16-606
zaaknummer: SGR 15/9303
datum beschikking: 21 april 2016
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te België ,
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. A.D. van Riel,
rechter in de rechtbank Den Haag,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is: de Belastingdienst/Toeslagen.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1
In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaarschrift van verzoeker inzake de zorgtoeslag 2007 kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld.
1.2
Bij brief van 17 maart 2016 is verzoeker uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op de zitting van 12 april 2016. Bij brief van 22 maart 2016 heeft verzoeker de rechter gewraakt.
1.3
De rechter heeft op 11 april 2016 schriftelijk haar reactie op het wrakingsverzoek gegeven en geconcludeerd tot afwijzing.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 18 april 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en de rechter zijn verschenen. Belanghebbende heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

3.Het standpunt van verzoeker

Het is de wrakingskamer niet geheel duidelijk geworden op welke gronden verzoeker zijn wrakingsverzoek baseert. Het lijkt erop dat verzoeker van mening is dat Belgisch recht op de zaak van toepassing is. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een aantal door de Belastingdienst/Toeslagen in het geding gebrachte stukken.

4.Het standpunt van de rechter

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Zij zal het beroep ter zitting behandelen maar is nog niet eerder bij deze zaak betrokken geweest. Naar haar mening is geen sprake van een schijn van partijdigheid.

5.De beoordeling

5.1
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3
Voor zover verzoeker de bestuursrechter verwijt dat zij stukken heeft opgevraagd bij de Belastingdienst/Toeslagen, dan overweegt de wrakingskamer dat deze beslissing dient te worden aangemerkt als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bestuursrechter jegens eiser een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij eiser dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Hetgeen verzoeker in dit verband heeft gesteld levert geen omstandigheid op die tot dat oordeel zou moeten leiden. Het verzoek lijkt zich mede te richten tegen de inhoud van de overgelegde stukken. Dat levert evenmin een grond voor wraking op.
5.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Awb wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• belanghebbende en
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. D. Aarts, T.F. Hesselink en J.A. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W.W. Koppe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.