ECLI:NL:RBDHA:2016:1702
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens verplaatsing hoofdverblijf en beoordeling artikel 3 EVRM risico
Eiser, met de Somalische nationaliteit, kreeg in 2009 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en in 2014 een vergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunningen in vanwege het vestigen van het hoofdverblijf buiten Nederland, omdat eiser van september 2010 tot december 2011 in Jemen verbleef.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd terecht is omdat eiser bewust naar Jemen vertrok, zijn spullen verkocht en geen contact onderhield met Nederlandse instanties. Voor de vergunning voor bepaalde tijd is echter onvoldoende gemotiveerd of bij terugkeer naar Somalië een schending van artikel 3 EVRM Pro dreigt.
Eiser vreesde als lid van de Ashraf-minderheid in Mogadishu voor beroving en beschuldiging van spionage, maar verweerder baseerde zich op een oud ambtsbericht en een EHRM-arrest dat Mogadishu als relatief veilig beschouwt. De rechtbank stelt dat verweerder een zorgvuldige beoordeling had moeten maken en vernietigt daarom het besluit tot intrekking van de vergunning voor bepaalde tijd.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser en wijst erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.