ECLI:NL:RBDHA:2016:17144
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht wegens onvoldoende bestaansmiddelen
Eiser, een Poolse staatsburger, werd door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het rechtmatig verblijf ontzegd op grond van de Unieburgerrichtlijn omdat hij niet voldeed aan de vereiste voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en daarop volgde beroep bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat het zwervend bestaan van eiser, zijn herhaalde aanhoudingen wegens overtredingen en zijn eigen verklaringen aan de politie voldoende aanleiding vormden voor onderzoek naar zijn bestaansmiddelen. De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat het gebruik van een checklist door de vreemdelingenpolitie leidde tot een verboden systematisch onderzoek.
Voorts concludeerde de rechtbank dat eiser geen werk heeft, niet werkzoekend is, geen opleiding volgt, geen ziektekostenverzekering bezit en geen toereikende bestaansmiddelen kan aantonen. Ook het gebruik van opvang door het Leger des Heils werd gezien als een beroep op publieke middelen.
Daarmee voldeed eiser niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf langer dan drie maanden op grond van artikel 7 van Pro de Unieburgerrichtlijn en artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van de Unieburgerrichtlijn.