ECLI:NL:RBDHA:2016:17153
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf voor bezoek neef wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, vroeg op 11 april 2016 een visum kort verblijf aan bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Rabat om zijn neef te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 20 april 2016 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 14 juli 2016. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf had aangetoond en dat er redelijke twijfel bestond over zijn voornemen om tijdig de EU te verlaten. De economische binding met Marokko werd onvoldoende geacht omdat bankafschriften geen herkomst van stortingen aangaven en er tegenstrijdige fiscale gegevens waren. Ook de sociale binding was niet overtuigend, aangezien eiser niet kon aantonen dat hij zware maatschappelijke verplichtingen in Marokko had.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht van het horen van eiser in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aantoonbare binding met het land van herkomst.