ECLI:NL:RBDHA:2016:17202
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens vermeende vooringenomenheid
In deze strafzaak werd een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die had bepaald dat een getuige met een verstandelijke beperking in een kindvriendelijke studio zou worden gehoord. Verzoeker betoogde dat de rechter-commissaris onpartijdigheid miste omdat zij zonder deskundigheid had vastgesteld dat de getuige een verstandelijke beperking had, wat volgens verzoeker een vooringenomen standpunt was.
De wrakingskamer behandelde het verzoek en concludeerde dat de aanduiding van de getuige als iemand met een verstandelijke beperking aansluit bij de terminologie in het dossier en dat de rechter-commissaris voldoende aanwijzingen had om de getuige in een kindvriendelijke setting te laten horen. Er was geen sprake van een standpuntname over de inhoudelijke vraag of de getuige daadwerkelijk een verstandelijke beperking heeft.
De kamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. Ook de schijn van partijdigheid ontbrak. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en het proces in de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De beslissing werd genomen door drie rechters en uitgesproken op 7 maart 2016. De officier van justitie en de raadsman van verzoeker waren aanwezig, de rechter-commissaris was wegens verlof afwezig maar had schriftelijk gereageerd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.