ECLI:NL:RBDHA:2016:17265
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoekster, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de staatssecretaris buiten behandeling werd gesteld. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Na gegrondverklaring van het bezwaar door de staatssecretaris trok verzoekster haar voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door het bestuursorgaan, omdat het primaire besluit was herroepen en de zaak terugviel in de aanvraagfase, maar verzoekster nog steeds niet in Nederland mocht blijven. De gevraagde voorlopige maatregel was niet getroffen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.