ECLI:NL:RBDHA:2016:1935
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering onmiddellijke invrijheidstelling na nietige strafzitting
Eiseres, gedetineerd wegens verdenking van ernstige delicten, vordert onmiddellijke invrijheidstelling omdat de laatste strafzitting nietig werd verklaard. De nietigheid ontstond doordat een rechter die als rechter-commissaris onderzoek had verricht, onterecht deelnam aan de zitting, waardoor het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moet plaatsvinden.
De rechtbank stelt vast dat ondanks de nietigheid van de zitting, de voorlopige hechtenis doorloopt en eiseres haar bezwaren kan voorleggen tijdens de hervatting van de terechtzitting en via een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 69 Sv Pro. Deze procedures bieden voldoende waarborgen en een vergelijkbaar resultaat als het kort geding.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter de vordering van eiseres niet-ontvankelijk en veroordeelt haar in de kosten van het geding. De uitspraak benadrukt het belang van een juiste rechtsgang en dat civiele rechterlijke toetsing niet aan de orde is zolang een adequate strafrechtelijke procedure openstaat.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een adequate strafrechtelijke rechtsgang openstaat.