ECLI:NL:RBDHA:2016:227

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2016
Publicatiedatum
12 januari 2016
Zaaknummer
15/2200 en 15/22342
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Albanese Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoeken wegens veilige status Albanië ondanks bekering tot christendom

Eisers hebben asiel aangevraagd vanwege hun bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende vrees voor vervolging in Albanië. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat Albanië wordt aangemerkt als een veilig land van herkomst. Eisers stelden dat de situatie in Albanië onveilig is, onder meer door corruptie en onvoldoende bescherming van bekeerlingen.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat het recente rapport van de Europese Commissie uit 2015 niet in aanmerking kon worden genomen wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank bevestigde dat Albanië terecht als veilig land van herkomst wordt beschouwd, mede op basis van landeninformatie en het rapport van 2011.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Albanië geen bescherming kunnen krijgen, ook niet vanwege hun bekering. De Albanese Grondwet garandeert vrijheid van godsdienst, en er is geen bewijs dat deze garantie in de praktijk niet wordt nageleefd.

De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen zijn daarom ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen zijn ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 15/21998 en 15/22341 (beroepen) en
AWB 15/22000 en 15/22342 (voorzieningen)
V-nummers: [V-nummers]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 januari 2016 in de zaak tussen

[naam2] , eiser en verzoeker, hierna: eiser,

[naam1] eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,
mede namens hun minderjarige kinderen
[naam3]en
[naam4],
verder te noemen: eisers,
gemachtigde mr. M.B. van den Toorn-Volkers,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 11 december 2015 (de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure, zijn de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond afgewezen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter
verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat
op het beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen N. Rexhepi, tolk Albanees.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder de asielrelazen van eisers geloofwaardig heeft bevonden. Eiser is bekeerd tot het christendom en vreest vanwege zijn afvalligheid voor zijn leven. Recent is hij bedreigd door zijn vader. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat Albanië – het land van herkomst van eisers – als veilig land van herkomst wordt beschouwd.
3. Ter zitting hebben eisers het recente rapport van de Europese Commissie van 2015 aangehaald. Nu hierop niet eerder een beroep is gedaan, laat de rechtbank dit rapport buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
4. De rechtbank is van oordeel, gelet op de door verweerder in de bestreden besluiten, en de daaraan voorafgaande voornemens, genoemde landeninformatie, dat verweerder Albanië terecht heeft aangemerkt als een veilig land van herkomst. Het is vervolgens aan eisers om aannemelijk te maken dat Albanië voor hen, gelet op de door hen aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden, geen veilig land van herkomst is.
5. Dat Albanië – zoals blijkt uit het rapport van de Europese Commissie van 2011 over Albanië – nog een lange weg te gaan heeft en dat corruptie een probleem is, betekent niet dat het op voorhand zinloos is om bescherming te vragen bij de (hogere) autoriteiten. Ook uit de door eiser ter zitting genoemde verklaring (die op internet zou staan) van de minister van Binnenlandse zaken van Albanië kan niet worden afgeleid dat het zinloos is bescherming te vragen.
6. De beroepsgrond dat verweerder te makkelijk is voorbijgegaan aan de bekering tot het christendom van eiser, treft geen doel. Reeds in het voornemen heeft verweerder gewezen op artikel 24 van Pro de Albanese Grondwet, waarin staat dat iedereen vrij is om zijn geloof te kiezen of te wijzigen. Uit de landeninformatie blijkt niet dat wijziging van godsdienst extra problemen oplevert. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de garantie die de Grondwet biedt in de praktijk niet wordt nageleefd.
7. De slotsom is dat verweerder de asielaanvragen van eisers terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.
8. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent ook dat er geen aanleiding is voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Evenmin bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
in de zaken met AWB nummers 15/21998 en 15/22341
- verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter:
in de zaken met AWB nummers 15/22000 en 15/22342
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 7 januari 2016.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.