Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 1 juli 2015 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 2 november 2015,
- de brief van de officier van justitie van 7 december 2015.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, geboren in Iran en sinds 1992 in Nederland verblijvend, verkreeg de Nederlandse nationaliteit via naturalisatie van haar moeder in 1997. Na vertrek naar Iran in 2003 heeft zij onafgebroken daar haar hoofdverblijf gehad. Volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verliest een meerderjarige met dubbele nationaliteit die tien jaar onafgebroken buiten Nederland verblijft zijn Nederlanderschap, tenzij de termijn wordt gestuit door het verkrijgen van een reisdocument of verklaring.
Verzoekster stelde dat zij door omstandigheden, waaronder onwetendheid en een onderdrukkende thuissituatie, niet eerder kon verzoeken om verlenging van haar Nederlandse paspoort en dat een e-mail in 2009 een poging tot stuiting was. De IND en officier van justitie concludeerden echter dat zij op grond van artikel 15 lid 1 sub c RWN Pro haar Nederlanderschap per 2013 had verloren.
De rechtbank oordeelde dat de gestelde e-mail niet kon worden aangetoond en dat verzoekster onvoldoende concreet had onderbouwd dat zij feitelijk werd gehinderd in het stuiten van de termijn. De wettelijke regeling is limitatief en de omstandigheden van verzoekster bieden geen grond voor behoud van het Nederlanderschap.
Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen kostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het behoud van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen.