Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 1 december 2014 ingekomen verzoekschrift,
- de brieven van 6 februari 2015 en 12 augustus 2015 van de IND,
- de brieven van mr. Wassenaar van 11 en 17 maart 2015.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, geboren in Suriname en erkend door een Nederlandse vader, verzocht de rechtbank om vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit. Hij stelde dat het vereiste om het biologisch vaderschap binnen één jaar na erkenning aan te tonen discriminerend is en in strijd met artikel 14 EVRM Pro, in samenhang met artikel 8 EVRM Pro, omdat nationaliteit deel uitmaakt van de identiteit en het privéleven.
De rechtbank overwoog dat het onderscheid in de Rijkswet op het Nederlanderschap gerechtvaardigd is om schijnerkenningen tegen te gaan en om onzekerheid over het Nederlanderschap te beperken. Het onderscheid tussen kinderen jonger dan zeven jaar en ouder dan zeven jaar is niet arbitrair of discriminerend. Tevens is het beroep op het EVRM niet toereikend om het Nederlanderschap af te dwingen.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat zijn familie- of sociale leven door de toepassing van de wet wordt geschaad. De stelling dat het onderscheid arbitrair en discriminerend is, werd verworpen. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat het biologisch vaderschap niet tijdig is aangetoond en het onderscheid in de wet niet discriminerend is.