In deze zaak vordert Porsche nietigverklaring van een Beneluxmerk en verbod op gebruik van het teken P@RSCHE door [gedaagde], die tevens dwangsommen en lijfsdwang worden gevorderd wegens eerdere overtredingen. [gedaagde] stelt dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is omdat hij daar woonachtig is en verzoekt om relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag.
De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid aan de hand van het Beneluxverdrag, de Gemeenschapsmerkenverordening en het Europees recht. Zij stelt vast dat de rechtbank Rotterdam in beginsel bevoegd is voor de Beneluxmerkvorderingen, maar dat de rechtbank Den Haag exclusief bevoegd is voor de vordering tot staking van inbreuk op de Gemeenschapsmerken van Porsche.
De rechtbank oordeelt dat de samenhang tussen de vorderingen meebrengt dat ook de overige vorderingen bij haar kunnen worden behandeld. Het incidentele verzoek tot relatieve onbevoegdheid wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak. De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor verdere behandeling.