Verzoekers, veroordeeld in Thailand voor witwassen, vragen de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor toe te staan. Zij stellen dat de Nederlandse Staat onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste en onvolledige informatie te verstrekken aan Thaise autoriteiten, met als doel hun veroordeling. Zij willen getuigen horen die kunnen bevestigen dat er bewust is gestuurd op een ongunstig resultaat.
De Staat voert verweer dat verzoekers reeds beschikken over relevante getuigenverklaringen en documenten, en dat het verzoek onvoldoende belang heeft. De rechtbank oordeelt echter dat het horen van getuigen noodzakelijk is om het meningsverschil over de juistheid van de verstrekte informatie op te helderen, met het oog op een mogelijke civiele procedure.
De rechtbank wijst het verzoek toe, beperkt het aantal te horen getuigen tot vijf en bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in Den Haag. Tevens wordt bepaald dat partijen hun beschikbaarheid moeten opgeven en dat verzoekers de beschikking aan de Staat moeten toezenden.