Uitspraak
Rechtbank den haag
1.Het procesverloop
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 11 december 2015, met producties;
- het verweerschrift, met producties.
Rechtbank Den Haag
Autobedrijf Duindam verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:685 BW Pro, waarbij zij zich beriep op het overgangsrecht van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Het verzoek betrof een dienstverband dat was geëindigd op basis van een beëindigingsovereenkomst van 20 april 2015, met een einddatum van 1 juni 2015.
De werknemer had de nietigheid of vernietiging van deze beëindigingsovereenkomst ingeroepen in een aparte procedure. Duindam stelde dat het oude recht van vóór 1 juli 2015 van toepassing bleef vanwege het overgangsrecht WWZ, dat op opzeggingen vóór die datum van toepassing zou zijn.
De kantonrechter oordeelde echter dat een beëindigingsovereenkomst niet gelijkgesteld kan worden met een opzegging en dat de procedure over de nietigheid van de overeenkomst geen procedure is die betrekking heeft op een opzegging. Omdat Duindam zich uitsluitend op het oude recht beriep dat op het moment van het verzoek niet meer van toepassing was, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
De kantonrechter compenseerde de proceskosten zodanig dat elke partij haar eigen kosten draagt. De overige stellingen en verweren behoefden geen bespreking.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-toepasselijkheid van het oude recht.