Eiseres ontving studiefinanciering op grond van de norm voor uitwonende studenten vanaf 1 januari 2013. Verweerder voerde een huisbezoek uit op het adres waar eiseres stond ingeschreven in de basisregistratie personen (Brp) en stelde op basis van een rapport en buurtgetuigenverklaringen vast dat eiseres feitelijk niet op dat adres woonde.
Verweerder herzag daarop het studiefinancieringsbesluit per 1 oktober 2013 en kwalificeerde eiseres als thuiswonend, met verrekening van een bedrag van €4.014,86. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij wel degelijk op het adres woonde, onderbouwd met een getuigenverklaring van een buurtbewoner.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het aantonen van feitelijke woonplaats in eerste instantie bij verweerder ligt. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat eiseres niet woonde op het Brp-adres aan de hand van consistente verklaringen van drie buurtbewoners en een huisbezoekrapport. De verklaring van de door eiseres overgelegde buurtbewoner werd door de rechtbank niet geloofd vanwege tegenstrijdigheden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het studiefinancieringsbesluit had herzien en dat het besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand was gekomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.