ECLI:NL:RBDHA:2016:2789
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij Turkse zelfstandige
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, diende een verzoek in tot het treffen van een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen gedurende de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunningaanvraag. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, aangezien er geen concrete dreiging van uitzetting bestond en Turkse zelfstandigen in bezwaar doorgaans niet worden uitgezet.
Verzoeker stelde dat zonder verblijfsvergunning zijn bedrijfsvoering en inschrijving bij de Kamer van Koophandel in gevaar zouden komen en dat hij strafbaar zou zijn wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht. De rechter stelde echter vast dat het verzoek feitelijk gericht was op het verkrijgen van rechtmatig verblijf en niet op het voorkomen van uitzetting, en dat dit geen grond was voor toewijzing van de voorlopige voorziening.
Verder werd benadrukt dat er geen aanwijzingen waren dat verzoeker onder een meldplicht viel of dat er een strafrechtelijk traject liep dat uitzetting zou rechtvaardigen. Het verzoek om een voorlopig oordeel over het inwinnen van advies bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland werd als oneigenlijk gebruik van de procedure beschouwd.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen onverwijlde spoed was en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en concrete dreiging van uitzetting.